Naar inhoud springen

P.C. Hooft-prijs

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
De naamgever van de prijs: Pieter Corneliszoon Hooft.

De P.C. Hooft-prijs voor Letterkunde is een literatuurprijs in het Nederlands taalgebied.[1] Deze oeuvreprijs wordt jaarlijks toegekend aan een Nederlandse auteur, afwisselend voor verhalend proza (verhalen, novelles en romans), beschouwend proza (essays) en poëzie.[2] Het is de hoogste letterkundige onderscheiding die Nederland kent.[3] De prijs bestaat uit een beeldje van de naamgever en een geldbedrag.

In 1947 werd de instelling van de P.C. Hooftprijs bekendgemaakt door de Minister van Onderwijs, Kunst en Wetenschappen, toen op 21 mei de 300e sterfdag van Pieter Corneliszoon Hooft werd herdacht.[4] De eerste uitreiking vond in 1948 plaats, aan Amoene van Haersolte en Arthur van Schendel (postuum). Aanvankelijk was het een staatsprijs die werd toegekend op basis van een voordracht door een jury. Tot 1955 werd de prijs voor specifieke werken toegekend. Daarna werd het een oeuvreprijs, waaraan een geldbedrag van 60.000 euro verbonden is.

Weigering uitreiking door regering Lubbers (1984)

[bewerken | brontekst bewerken]

In 1984 kwam de relatie tussen de Staat der Nederlanden en de jury onder druk te staan, toen door de gevarieerde jury unaniem was besloten Hugo Brandt Corstius voor de prijs beschouwend proza (essays) voor te dragen. Het kabinet-Lubbers, met Elco Brinkman als minister van Welzijn, Volksgezondheid en Cultuur, weigerde de prijs uit te reiken aan Hugo Brandt Corstius. Als reden werd gegeven dat de schrijver het kwetsen tot instrument heeft gemaakt en dat dit volgens het juryrapport een integrerend bestanddeel is van zijn literaire kwaliteiten.[5] De daardoor omstreden literatuur mag niet met een blijk van waardering van overheidwege worden beloond. De regering besloot daarom de P.C. Hooftprijs 1984 niet uit te reiken.[6] Als gevolg van dit besluit trad de jury af en nam de reeds voor de editie 1985 benoemde jury het werk niet op.[7] Ook de afdeling Letteren van de Raad voor de Kunst (adviesorgaan regering) trad af en weigerde voor het jaar 1986 een nieuwe jury uit te kiezen.[8]

De gedenkpenning die behoort bij de niet-uitgereikte prijs van 1984, is in januari 2005 door staatssecretaris Medy van der Laan geschonken aan het Literatuurmuseum (voorheen Letterkundig Museum).[9][10] Anton Korteweg, indertijd directeur van het Letterkundig museum, spreekt over een stuk dat zeer belangrijk is in de geschiedenis van de literaire prijzen.[11]

Stichting P.C. Hooft-Prijs voor Letterkunde

[bewerken | brontekst bewerken]

De weigering van de regering de essayprijs aan Brandt Corstius toe te kennen veroorzaakte brede golven van woede en protest in de letterenwereld. Medewerking aan het verlenen van een volgende staatsprijs voor literatuur werd breed geweigerd.[12] Op voorstel van D'66, overgenomen door de jury voor de prijs 1986 en uiteindelijk door minister Brinkman, werd op 23 december 1987 de onafhankelijke Stichting P.C. Hooft-Prijs voor Letterkunde opgericht.[13] Met subsidie van de overheid.[14] Het bestuur van de stichting werd gevormd door vertegenwoordigers van drie landelijke letterkundige instellingen: de Maatschappij der Nederlandse Letterkunde, PEN-centrum Nederland en de Vereniging van Letterkundigen. De eerste door de stichting uitgereikte prijs ging in 1987 naar Hugo Brandt Corstius en werd door het stichtingsbestuur zelf toegekend.[15] Daarna werd de prijs toegekend op voordracht van een jaarlijks wisselende jury.[16]

De P.C. Hooftprijs werd in het begin vaak uitgereikt in het Muiderslot, maar ook regelmatig elders, bijvoorbeeld in het Stadhuis van Rotterdam, op het Ministerie van CRM, in de Stadsschouwburg Amsterdam en in het Jeroen Bosch College. Sinds 1988 wordt de prijs doorgaans in het Literatuurmuseum (voorheen Letterkundig Museum) in Den Haag uitgereikt.

In 1991 werd de P.C. Hooft-prijs toegekend aan de Zuid-Afrikaanse dichteres Elisabeth Eybers, die vanaf 1961 in Nederland woonde en de Nederlandse nationaliteit had aangenomen. Ze dichtte evenwel in het Afrikaans. Daarmee werd bevestigd dat de prijs gekoppeld is aan 'paspoort' en niet aan 'taal'. Dit is in overeenstemming met het gegeven dat Vlamingen niet in aanmerking komen voor de prijs en Friestalige auteurs wel.

In 2019 ontstond een ongemakkelijke situatie, toen bleek dat de grootouders van stichtingsvoorzitter Gillis Dorleijn na de Tweede Wereldoorlog bezittingen van de ouders van laureaat Marga Minco hadden achtergehouden. In overleg werd besloten dat iemand anders Minco zou vertellen dat de prijs aan haar was toegekend. Dorleijn bood Minco later excuses aan voor het gedrag van zijn grootouders.[17]

De stichting kent ook twee andere oeuvreprijzen toe: de driejaarlijkse Theo Thijssen-prijs voor kinder- en jeugdliteratuur en de eveneens driejaarlijkse Max Velthuijs-prijs voor Nederlandse illustratoren van kinderboeken.

Gender(on)gelijkheid

[bewerken | brontekst bewerken]

De prijs is sinds zijn oprichting ruim vijf keer zo vaak aan mannelijke als aan vrouwelijke schrijvers toegekend (van alle prijswinnaars is meer dan 80% man). Dit is in lijn met de in Nederland bestaande situatie dat er (veel) meer boeken van mannelijke schrijvers worden uitgegeven dan van vrouwelijke. Ook bestsellerlijsten worden vaker gedomineerd door mannen.[18]

In 1985 werd als "vrouwelijke tegenhanger" van de P.C. Hooftprijs de Anna Bijns Prijs ingesteld.[19]

In 2025 werd de P.C. Hooft-prijs 2026 voor beschouwend proza (essays) toegekend aan Anja Meulenbelt; dat was de eerste keer dat de prijs in deze categorie werd toegekend aan een vrouw.[20][21][22]

F. Bordewijk (1953) (film)
De P.C. Hooftprijs 1956 wordt uitgereikt aan Anna Blaman op 29 mei 1957 op het Muiderslot.
Klompé kust Anton van Duinkerken (1966)
Gerard Reve (1968)
Remco Campert (1976)
Hugo Brandt Corstius (1987)
Zie de categorie P.C. Hooft-prijs van Wikimedia Commons voor mediabestanden over dit onderwerp.